Antonius Abt
Afbeelding
Collectie Stad Antwerpen, MAS

Andere afbeeldingen
https://dams.antwerpen.be/asset/h2QS8UOPPueGVeUXZfcpWMxi#id

https://www.museabrugge.be/collection/work/id/0016_GRO0141_06_II

https://www.museabrugge.be/collection/work/id/VI_O_0005

Tekst
De H. Antonius Abt is ook onder verschillende andere namen bekend: Antonius de Kluizenaar, Antonius de Grote en Antonius met het varken.
Hij werd omstreeks 251 in Egypte geboren. Zijn ouders waren koptische christenen. Op 20-jarige leeftijd verdeelde hij zijn bezittingen onder de armen, trok zich terug als kluizenaar en werd talloze malen – tevergeefs – door de duivel verleid in de vorm van een naakte vrouw of allerlei monsters. Daarna trok Antonius zich nog verder terug in de woestijn. Hij genas vele zieken en bevrijdde mensen van demonen. Zijn voorbeeld vond snel navolging. Vele mannen gingen ook als kluizenaar leven, zodat er nederzettingen in de woestijn ontstonden die Antonius als een vader leidde. Volgens de overlevering werd hij 105 jaar oud zonder ook maar één tand te verliezen.
Antonius Abt wordt voorgesteld als kluizenaar met een lange baard, gekleed in een donkerbruin of zwart gewaad, vaak met een kap op het hoofd. Als attributen heeft hij een taustaf of abtstaf, een kruisbeeld, een rozenkrans, een boek met orderegel en een klokje dat verwijst naar de bel die de antonieten (een naar hem genoemde orde van ziekenbroeders) op hun bedeltochten luidden. Soms is het klokje bevestigd aan de hals van een varken. Het dier staat symbool voor het zondige en de verleiding, maar verwijst ook naar het recht dat de antonieten hadden om hun varkens vrij te laten rondlopen of naar het varkensvet dat ze gebruikten om het antoniusvuur te bestrijden. Die ziekte wordt soms gesymboliseerd door een toorts in de hand van de heilige of vlammen aan zijn voeten. Zeldzamer is een duivel of draak als verwijzing naar de talrijke verzoekingen. Een schedel komt ook voor en een raaf met een stuk brood in de bek.
De H. Antonius werd op de eerste plaats aangeroepen tegen het naar hem genoemde antoniusvuur (ergotisme). Dat had te maken met de hallucinaties die met de ziekte gepaard gingen zoals ook de H. Antonius was overkomen. Omdat voor de middeleeuwers gangreen het voornaamste kenmerk van de ziekte was, noemden ze elke vorm van gangreen ‘antoniusvuur’. Later duidde men met deze naam ook allerhande huidaandoeningen aan die een branderig gevoel gaven: gordelroos, wondroos en zweerprocessen. Vandaar dat men de hulp van de heilige afsmeekte tegen wratten, steenpuisten, zweren, zona, pest, scheurbuik, miltvuur, vallende ziekte, kinkhoest, spataders en andere besmettelijke ziekten, ook bij dieren.
De H. Antonius was niet enkel een belangrijke geneesheilige en veepatroon (vanwege het attribuut van het varken), maar fungeerde ook als beschermheilige van talrijke beroepen en ambachten. Als veeheilige: van de handschoenmakers, leerlooiers, herders, slagers, vilders, varkenskwekers en -handelaars, riemensnijders (varkensleer), pachters, boeren, tuiniers, borstelmakers en schilders (ze gebruikten varkenshaar).
Maar ook van de brandweerlieden, lantaarnmakers en -ontstekers (het attribuut van de toorts en de vlammen), van de grafdelvers (hij begroef de H. Paulus van Thebe), van de klokkenluiders en -gieters (het attribuut van het klokje), van de mandenmakers (hij voorzag in zijn onderhoud door manden te vlechten), van de boogschutters (als pestheilige, de pijl staat symbool voor het toeslaan van de pest) en tot slot van de ketelmakers, suikerbakkers, kluizenaars, lakenscheerders en -verkopers, wevers en porseleinwerkers.
Voorts werd de H. Antonius vereerd als de beschermer van de stallen, riep men zijn hulp af tegen de duivel, tegen bekoring, tegen boze geesten, tegen angst en tegen de pijnen van het vagevuur.
Ook van de armen was hij een beschermheilige. Op vele plaatsen was het de gewoonte om op 17 januari een varken te slachten en enkele delen van het dier op het altaar te offeren voor de armen. Elders werden voor hen varkenskoppen per opbod verkocht.

